woensdag 25 februari 2009

Gainsbourg & Verlaine



Chanson d'automne

Les sanglots longs
Des violons
De l'automne
Blessent mon coeur
D'une langueur
Monotone.

Tout suffocant
Et blême, quand
Sonne l'heure,
Je me souviens
Des jours anciens
Et je pleure;

Et je m'en vais
Au vent mauvais
Qui m'emporte
Deçà, delà
Pareil à la
Feuille morte.

Paul Verlaine (1844-1896)

Deze post draag ik op aan Steven L., de beste adjunct-bibliothecaris van de Noorderkempen, maar ook een goeie vriend.

zaterdag 21 februari 2009

Klimt & Kokoschka


(Gustav Klimt, The kiss, 1907-08)


(Oskar Kokoschka, The tragedy of man, 1908)

donderdag 19 februari 2009

J.C. Bloem: A une passante

Vijf regels van Bloem: meer is er vandaag niet nodig.



A une passante

Het is niet anders: elk gevoel vergaat,
Door watten daaglijksheid ten dode omwonden.
Voor immer zwijgen eens verrukte monden
Van een voorbijgaand liefelijk bevonden
En dan voorgoed nooit meer aanschouwd gelaat.

zaterdag 14 februari 2009

Thomas Mann over het verwerven van cultuur

Thomas Mann

Cultuur wordt niet verworven met stompzinnig geploeter en gevos, maar is een geschenk van de vrijheid en uiterlijk nietsdoen. Men verwerft geen cultuur, men ademt het in; verborgen werktuigen zijn daarvoor bezig, geheime vlijt van de zintuigen en van de geest, die heel wel gepaard kan gaan met schijnbaar volledige klaploperij, werkt uur na uur om cultuur te vergaren, en men mag wel zeggen dat het de uitverkorene in zijn slaap komt aanwaaien.

uit: Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull

(mit vielen Dank an Wulf Rehder)

woensdag 11 februari 2009

Ambrogio Lorenzetti: detail van "Il buon e il mal Governo" (14de eeuw)



(Het fresco is te bewonderen in het Palazzo Pubblico in Siena. Bezoek verplicht.)

F. De Vadder: Leugens-cyclus

Er was eens... een poëzietijdschrift genaamd De Rosse Godin dat kantoor hield in een Aarschots café. De redactie had het zwaar te verduren: bedreiging en verleiding waren haar deel, maar zij stond pal.
Een enkele keer werd er een gesloten omslag afgeleverd met daarop de naam F. De Vadder, toen en nu nog een illustere onbekende. Erin zat onder meer de volgende cyclus van gedichten.

I

De leugens: het leven

Wat had het leven hem niet allemaal
beloofd?
Vanalles te geven jongensjongens.
En krijgen dat hij deed:
slaag, de bons, de klere.
Tenslotte krop in de keel.

Van alles wat hij niet wou
kreeg hij veel te veel.
Wat restte hem dan nog dan
te nemen: nam nam nam.
Het woord, de benen, zijn wensen
uiteindelijk zelfs
voor werkelijkheid.

Ik ken hem wel:
hij hokt samen
in mijn papieren vel.
Hij eet uit mijn hand
en ik heb mijn ziel terloops
aan hem verpand.

II

De leugens: de tijd

(Ik moest maar eens volwassen worden
maar later op de dag vond ik
dat geen goed idee.)

De maan halfwas
hangt ongeschoren hoog boven de haag.
Ze schemert. En in de schemering
staat ze laag.
Ik lieg als ik zeg
dat ik de waarheid spreek.
Want ik zeg de waarheid.
Ik lieg niet. Nooit.
Bij nader inzien zelden.
Ik spreek de woorden die ik tevoren
al geschreven had. Zo ook dit.
Dit is spontaan in schemering
ontstaan. Zeg ik dan.

Ik ben halfwas,
zoals alle vermeende helden, geboren.
Vermoeid en ongeschoren.

III

De leugens: de vrouw

Maak jezelf maar niks wijs, zei ze.
En ook nog: wees eerlijk.
Ik was een wijze wees bijgevolg.

Wat duurt nog langer
dan een verhouding van één op twee?
De sardonische mededeling "ik ben zwanger".
Ik denk na
(dat duurt een stuk langer).
Ik besluit.

Ik zwijg als een onbekend soldatengraf.
Voor wezen is de vaderloze wereld.
De moeder zwijgt.
De vrouw zwijgt.
Ik maak mezelf
maar niks
meer wijs.

Ononderbroken
in wijzerzin
zolang het duurt.

IV

De leugens: de ruimte

Ik wist wat verhuizen was:
zoals verbleken, verstommen en dan vergaan.
Een huis worden dus,
een op te vullen leemte.
Ik verbleek want zonder toezicht.
Ik rol mijn luiken neer,
schuw het daglicht
dat verstomt;
dat weet ik uit ervaring.
Zoals ook het langzaam vergaan
van het lachen.
Om een verhaal dat verhuisd is
zoals een vrouw in bed bedrogen.
Van geest naar spraakorganen.
Vierkant gelogen.

V

De leugens: de dood

Ik sta stokstil. Stiller kan niet.
Het is te zeggen: dat dacht ik.
Ik had het mis. Want nu,
stijf als een plank
van de leugens, samen een kist
van ondraaglijke troost.

Vlaggen van waanzin
halfstok.

En
onder het prevelen
zak ik door de grond
van schaamte voor zoveel dood.
Doder kan niet,
dacht ik.